Laatste kunstwerk

Op de polikliniek vervolgde ik een man met een inoperabel pancreascarcinoom. Hij was altijd gezond geweest, net gepensioneerd en stond op het punt van het volle leven te gaan genieten. Als arts voelde ik mij meestal  ongemakkelijk omdat ik weinig te bieden had en hij erg teleurgesteld bleef door het feit dat hij niet kon worden geopereerd. Daarbij kwam dat hij geen grote prater was. Vaak zaten hij en zijn vrouw tegenover mij en viel er menige stilte.


Toen ik vroeg hoe het nu thuis allemaal ging, schoot zijn vrouw uit haar slof: ‘Hij zit daar maar de hele dag in zijn stoel voor zich uit te staren en zegt niks. Zelfs zijn schilderskwasten laat ie staan.’ Ik vroeg hem of hij schilderde en waarom hij dat niet meer deed.

Hij zei dat hij daar de zin niet meer van inzag. Ik vroeg hoe hij zijn emoties beter kon uiten: door te praten of door te schilderen? Daarover hoefde hij niet lang na te denken. In het schilderen kon hij alles kwijt. ‘Waarom kwelt u zichzelf dan zo door daarmee te stoppen?’ Zo had hij het nog niet bekeken.

Enkele weken later kreeg ik een overlijdenskaart. Ik stuurde een brief met mijn condoleances en nodigde de echtgenote uit om nog eens langs te komen. Ze kwam en vertelde wat er na ons laatste gesprek was gebeurd. Haar man had een doodskist besteld en midden in de kamer laten neerzetten.

Vol energie was hij begonnen de kist te beschilderen met allerlei kleurige taferelen.

De vrouw liet mij twee foto’s zien. Op de ene zat haar man voor de kist met de armen om zijn vrouw, kinderen en schoonkinderen. Met een brede lach keek hij recht in de camera. De andere foto toonde de beschilderde kist, zijn laatste kunstwerk, midden in de kerk, voor het altaar.

Sietze Graafsma, internist

Deze bijdrage is in een uitgebreidere versie eerder verschenen in Medisch Contact